Wetsvoorstel overdracht pensioenen politieke ambtsdragers aan ABP
In dit wetsvoorstel worden twee dingen geregeld voor politieke ambtsdragers.
Ten eerste zal worden geregeld dat zij vanaf 1 januari 2028 nieuwe pensioenaanspraken gaan opbouwen bij pensioenfonds ABP onder het nieuwe pensioenstelsel. Daarvoor worden bestaande wetten aangepast. De belangrijkste wetten zijn de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa) en de Wet privatisering ABP.
Ten tweede zullen hun vóór 1 januari 2028 opgebouwde pensioenaanspraken door de rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen worden overgedragen aan het pensioenfonds ABP. Daarvoor zijn in dit wetsvoorstel nieuwe regels opgenomen.
Dit wetsvoorstel is gemaakt, omdat de Eerste Kamer in 2023 een motie heeft aangenomen om de pensioenen van politieke ambtsdragers aan te passen aan het nieuwe pensioenstelsel. Er si een internetconsultatie over het wetsvoorstel geweest. Het wetsvoorstel is nog geen eindproduct, tijdens en na de consultatieperiode kan het wetsvoorstel nog verder worden aangescherpt. Vanuit de VOP is inbreng geleverd, deze is hieronder integraal weergegeven.
Internetconsultatie voorstel Wet overdracht pensioenen politieke ambtsdragers aan ABP - Inbreng Vereniging van Oud-Parlementariërs
De Vereniging van Oud-Parlementariërs (VOP) heeft met belangstelling, maar ook met zorg en verontrusting kennisgenomen van het wetsontwerp. Gelet op de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het gegeven dat de pensioenvoorzieningen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) in de afgelopen decennia fasegewijs materieel zijn geharmoniseerd met de pensioenregeling van het ABP, begrijpt de VOP dat het wetsvoorstel is ontwikkeld. De VOP plaatst hierbij bedenkingen en bezwaren van principiële aard. Daarnaast heeft de VOP nog een groot aantal opmerkingen, bedenkingen en zorgpunten over het wetsvoorstel.
Hieronder wordt eerst een beschouwing gegeven over een aantal onderdelen van het wetsontwerp en vervolgens artikelsgewijs zienswijzen geformuleerd. Tot slot is nog een aantal opmerkingen, soms van technische aard, geformuleerd.
Algemeen
Gelijkstelling politieke ambtsdragers aan ambtenaren
De grondslag voor het wetsontwerp ligt, anders dan in de toelichting op het wetsvoorstel gesteld, niet in de aangenomen motie-Crone c.s. uit 2023 (Kamerstuk 36 067, AO). De motie verzoekt niet om de pensioenvoorziening van politieke ambtsdragers onder te brengen bij het ABP. In de motie verzoekt de Eerste Kamer de regering wel om, nadat de Wtp is aangenomen, binnen afzienbare termijn ook de pensioenen voor politici volgens de Wtp vorm te gaan geven. Uit de motie volgt niet dat politieke ambtsdragers, voor het onderdeel pensioen, gelijk moeten worden gesteld aan overheidswerknemers en deswege onder te brengen bij het ABP. Uit het wetsontwerp en de MvT blijkt niet dat alternatieven zijn onderzocht of overwogen, zoals bijvoorbeeld het stichten van een separaat pensioenfonds, dat materieel wel de ABP-regeling kan volgen, maar formeel wordt bestuurd en beheerd op een wijze die (beter) in lijn is met artikel 63 van de Grondwet (GW).
Op dit moment ontbreekt inzicht in de opbouw van de cijfers. Evenmin bestaat er zicht op het transitieplan van het ABP. Zo kunnen de VOP-leden niet beoordelen of de effecten van dit wetsvoorstel voordelig dan wel nadelig voor hen zijn. Evenmin bestaat er zicht op de verschillen in opbouw voor actieven, slapers, ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van de respectievelijke Appa-bestanden met die in de rest van het pensioenfonds voor de (verdere ontwikkeling van) de pensioenaanspraken en uitkeringen.
De vraag of het ABP in staat zal zijn een voor alle betrokkenen verantwoorde transitie uit te voeren blijft onbeantwoord.
Leden van de VOP tonen zich oprecht bezorgd over het zeer kritische tijdpad van het wetgevingstraject. Zij vinden het, gelet op het advies van de Commissie-Dijkstal uit 2004, onbegrijpelijk dat het onderbrengen van de pensioenvoorziening in een kapitaalgedekte (premie)regeling zo lang op zich heeft laten wachten. Als gevolg daarvan moet de materie in een zeer kort tijdsbestek onder druk van stoom en kokend water in wetgeving worden geregeld en uitgevoerd, met het risico van fouten, omissies en onnauwkeurigheden in zowel de regelgeving als de uitvoering van deze complexe operatie.
Het zowel formeel als materieel delegeren van de pensioenvoorziening voor politieke ambtsdragers naar het ABP verhoudt zich niet met art. 63 GW. De VOP constateert dat in het wetsvoorstel de lijn is gekozen om politieke ambtsdragers onder de verplichtstelling van het ABP te brengen en de opgebouwde pensioenaanspraken daar onder te brengen (in te varen). Politieke ambtsdragers worden in het wetsvoorstel volledig gelijkgesteld aan ambtenaren/werknemers die onder de werkingssfeer van het ABP vallen. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat de positie van politieke ambtsdragers principieel anders is dan die van ambtenaren/werknemers. De overdracht betreft hier niet alleen geld, maar derhalve tevens bevoegdheden aan de sociale partners. Deze hebben tot vandaag de dag weinig of geen blijk gegeven van zicht op de positie van Appa-gerechtigden. Hun referentiekaders zijn o.m. de traditionele arbeidsverhoudingen en loonruimte.
De wetgevende macht geeft hiermee feitelijk de volledige zeggenschap over de pensioenvoorziening voor politieke ambtsdragers uit handen. De zeggenschap over de pensioenregeling komt geheel te berusten bij het bestuur van het ABP.
Deze delegatie verhoudt zich niet met de grondwettelijke regel dat de wetgevende macht met een gekwalificeerde meerderheid van tweederde van de stemmen beslist over wijzigingen van de rechtspositie van politieke ambtsdragers.
Dit klemt temeer, daar in het wetsvoorstel geen enkele vorm van (mede-)zeggenschap voor politieke ambtsdragers bij het ABP en de Pensioenkamer wordt gecreëerd. Dit is ongewenst, omdat de positie van politieke ambtsdragers, zoals beschreven, sterk verschilt van overheidswerknemers. De VOP merkt hierbij op dat voor defensieambtenaren, waarvan de positie ook verschilt ten opzichte van andere categorieën overheidswerknemers, wel separate arrangementen zijn vormgegeven binnen het ABP. Er zijn goede gronden om voor politieke ambtsdragers een vergelijkbaar model als voor defensie-medewerkers te hanteren. Ook een (kwaliteits-)zetel voor een vertegenwoordiger van politiek ambtsdragers in de Pensioenkamer is gerechtvaardigd.
Ontbreken transparantie, betrokkenheid en medezeggenschap
In het wetsvoorstel is niet adequaat voorzien in betrokkenheid en medezeggenschap van (vertegenwoordigers van) Appa-deelnemers, sociale partners en vertegenwoordigers van gepensioneerden en gewezen deelnemers. Dat is ongewenst en onbegrijpelijk, omdat hieraan in de Wtp grote waarde en betekenis wordt gehecht. Deze betrokkenheid wordt in de Wtp juist als rechtvaardiging aangevoerd om de voorwaarde van individuele instemming van deelnemers en de mogelijkheid van bezwaar en beroep uit te sluiten. Meer georganiseerde betrokkenheid en
(mede-)zeggenschap is gewenst en noodzakelijk om draagvlak en vertrouwen bij Appa-gerechtigden te creëren en te handhaven.
In de Wtp is inspraak en transparantie gewaarborgd in het transitieproces. Zo is bepaald dat sociale partners een transitieplan maken. Er is voorzien in een verzwaard adviesrecht voor het verantwoordingsorgaan en een hoorrecht voor representatieve organisaties van gepensioneerden. Verder bepaalt de Wtp dat er een communicatieplan moet worden gemaakt en dat relevante documenten, waaronder het implementatieplan openbaar gemaakt moeten worden. De VOP pleit voor bepalingen waarmee wordt voorzien in betere betrokkenheid van stakeholders, meer transparantie en betere medezeggenschap.
De VOP constateert dat bij het onderbrengen en invaren van de begrotingsgefinancierde pensioenen van defensieambtenaren een separaat transitieplan is gemaakt. De VOP stelt zich op het standpunt dat dit voor de overgang van APPA-gerechtigden ook dient te geschieden. De VOP bepleit het instellen van een transitie- of begeleidingscommissie van stakeholders. Deze commissie dient inzage te krijgen in en nauw betrokken te worden bij het transitieproces en (actuariële en juridische) expertise te kunnen inschakelen om een oordeel te kunnen vormen over het invaren, in het bijzonder de systematiek en berekeningen die hieraan ten grondslag worden gelegd. Dit komt de transparantie en zorgvuldigheid ten goede. De operatie, zoals geregeld in het wetsvoorstel, speelt zich voor een (te) groot deel af in een ‘black box’. Een reden temeer om een transitie- of begeleidingscommissie in te stellen is dat het wetsvoorstel voorziet in de uitwerking van een groot aantal zaken, waaronder rekenfactoren, in lagere regelgeving. Met het regelen van meer betrokkenheid en medezeggenschap wordt de kans gereduceerd dat categorieën Appa-deelnemers tussen wal en schip geraken. Dit is geen theoretische gedachte blijkens de in het verleden onvoldoende doordachte regelgeving die leidde tot onbedoelde en onrechtvaardige effecten, waarvoor het uiterst moeilijk is gebleken deze te herstellen. Wij wijzen, als voorbeeld, op de lang slepende problematiek voortkomend uit de wijziging van de schadeloosstelling (Kamerstuk 1996/1997 25 160), die tot gevolg had dat voor zittende Kamerleden de pensioengrondslag met terugwerkende kracht werd verhoogd en (pas) vertrokken Kamerleden over dezelfde diensttijd deze verhoging is onthouden. Bijna 30 jaar later wordt die onrechtvaardigheid nog steeds gevoeld en is, ondanks herhaald aandringen, nog geen oplossing gecreëerd voor deze voortslepende problematiek. Volgens de laatste telling gaat het nog om 76 oud-leden. Een eerdere berekening door BZK liet zien dat de verschillen in pensioengrondslag tussen 30 en 34% bedragen.
De VOP wil nu na jarenlange discussie de overgang naar fondsfinanciering benutten als mogelijkheid om via een coulancemaatregel deze aanspraken te herstellen.
De VOP is van oordeel dat de overgang naar het ABP het moment is om deze onrechtvaardigheid alsnog weg te nemen.
Verplichte deelname of opt-out ten gunste van voortzetting deelname aan bestaande pensioenregeling
De VOP vraagt zich af of voor politieke ambtsdragers geen opt-out, op basis van een individuele keuze, kan worden gecreëerd. Het politieke ambt is per definitie van tijdelijke aard en dus, anders dan een reguliere arbeidsovereenkomst, nooit voor onbepaalde tijd. Een opt-out biedt politieke ambtsdragers de mogelijkheid om de beschikbare premie aan te wenden voor het voortzetten van opbouw van pensioenrechten bij het pensioenfonds c.q. de pensioenverzekeraar, waarin zij al deelnemer zijn, respectievelijk een verzekering hebben lopen, voorafgaand aan het aanvaarden van het politieke ambt. De Wtp voorziet in veel ruimere mogelijkheden tot vrijwillig voortzetten. Het bieden van deze keuzemogelijkheid biedt politieke ambtsdragers continuïteit in de pensioenopbouw in het fonds waar zij in deelnamen voorafgaand aan de benoeming in een politiek ambt.
De VOP wijst erop dat er precedenten zijn voor een opt-in c.q. opt-out-regeling. Momenteel hebben categorieën volksvertegenwoordigers de mogelijkheid om voor de loonbelasting te kiezen voor de zogeheten opt-in-regeling.
Sancties bij fouten of gebreken in de overdracht en invaren van de pensioenaanspraken
De VOP constateert dat in artikel 13 van het wetsvoorstel, onderdeel SS dat ziet op artikel 165 van de Appa, dat pensioenaanspraken, die in weerwil met de wettelijk beoogde overgang, door fouten of onvolkomenheden niet kunnen overgaan naar het ABP, achterblijven bij het verantwoordelijke overheidslichaam. Daarbij kan bovendien geen sprake meer zijn van opbouw en indexatie. Dit wordt in de MvT gerechtvaardigd als aansporing voor overheidslichamen om ervoor te zorgen dat ze tijdig voldoen aan de in wet gestelde eisen.
Dit is een ongewenste, zelfs perverse bepaling. Niet het in gebreke blijvende overheidsorgaan, maar de pensioengerechtigde wordt getroffen door zeer nadelige gevolgen. Nota bene zonder dat de pensioengerechtigde de oorzaak is van het nalatige gedrag, of daar maar enige invloed op kan uitoefenen. Dit is principieel onrechtvaardig en onjuist en kan een evenredigheidstoets niet doorstaan. Deze voorgestelde bepaling kan daarom in redelijkheid niet in stand blijven. Geborgd moet worden dat Appa-gerechtigden geen nadeel ondervinden van fouten of onvolkomenheden van derden die leiden tot uitstel of afstel van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling.
Ook moet geborgd zijn dat fouten of gebreken die na de overdracht aan het licht komen achteraf kunnen worden hersteld.
Eerbiedigen van het ‘samen-de-trap-op,-samen-de-trap-af’ principe
De pensioenvoorziening in de Appa is in de afgelopen jaren in materiële zin vrijwel geheel geharmoniseerd met de pensioenregeling van het ABP. De Appa volgt de ABP-regeling in premie, opbouw en indexering van de aanspraken en ingegane pensioenen.
Bij de overgang dient dan ook nadrukkelijk het uitgangspunt te zijn dat APPA-deelnemers op gelijke voet van ABP-deelnemers overgaan naar de pensioenregeling van het ABP. Voorkomen moet worden dat Appa-deelnemers in een nadeliger of voordeliger positie komen te verkeren. Verschillen in rechten of aanspraken moeten worden voorkomen. Doel en maatstaf dient te zijn dat de Appa-deelnemer, na de overdracht tenminste hetzelfde pensioenuitzicht heeft als de ABP-deelnemer, die per 1 januari 2027 is overgegaan naar de nieuwe premieregeling van het ABP. Voor APPA-gepensioneerden moet het pensioen tenminste hetzelfde zijn als ware zij per 1 januari 2027 deelnemer van het ABP. Dit doel dient nadrukkelijk in de MvT te worden opgenomen.
Nu al is voorzienbaar dat, zonder nadere maatregelen, verschillen tussen ABP-deelnemers en Appa-deelnemers gaan ontstaan. Deelnemers van het ABP gaan per 1 januari 2027 over naar de nieuwe pensioenregeling. De Appa-deelnemers per 1 januari 2028.
Om geen voor- of nadeel te laten ontstaan is het geboden dat de Appa-aanspraken en pensioenen per 1 januari 2027 in gelijke mate worden verhoogd, of verlaagd als bij het ABP via de zogeheten invaarbonus of -malus. Het onthouden van een indexering per 1 januari 2027 is een fors financieel nadeel, gelet op de hoge inflatie en terughoudendheid die het ABP heeft betracht bij de indexering per 1 januari 2026 (om meer ruimte te houden bij het invaren).
Bij een gelijkblijvende dekkingsgraad (126,9 % ultimo juni) van het ABP, gaat het om een indexering van meer dan 10 %. Hoewel de Appa niet kapitaalgedekt is, heeft de indexering altijd gelijke tred gehouden met het kapitaal gedekte ABP. De kapitaalpositie van het ABP, meer specifiek de dekkingsgraad, is sturend geweest voor de ontwikkeling van de Appa-pensioenen. Het zou zeer onrechtvaardig zijn als de pensioenaanspraken van Appa-deelnemers per 1 januari 2027 niet in gelijke mate worden aangepast als die van ABP-deelnemers.
In het wetsvoorstel en de toelichting is te weinig (expliciet) als uitgangspunt opgenomen dat de omzetting van het begrotingsgefinancierde pensioen naar de ABP-premieregeling naadloos en zonder materiële verschillen (in vergelijking met de omzetting van de ABP-regeling per 1 januari 2027) gaat plaatsvinden. De MvT brengt niet goed in beeld welke (onbedoelde) voor- en nadelen ontstaan door het verschil in overgangsdatum tussen ABP en Appa. Voorzienbaar is dat er op invoeringsdatum (1 januari 2028) verschillen zijn in rentestanden en DNB-scenariosets, waardoor het de vraag is of de berekende overdrachtswaarde van de pensioenaanspraak hetzelfde pensioen(-vooruitzicht) geeft als bij een overgang per 1 januari 2027 in plaats van 2028.
Ook is onduidelijk en onzeker of geen verschillen gaan ontstaan door verschillen in actuariële omzettingsfactoren (bijv. sterftetabellen en bestandsverschillen). Het is gewenst dat op onafhankelijke, deskundige wijze mogelijk optredende verschillen, waaronder parameter- en peildataverschillen en verschil in actuariële omzettingsfactoren, in beeld worden gebracht. Tevens dient de vraag transparant te worden beantwoord of en welke voorziening wordt getroffen bij optredende (nadelige) verschillen. Dit temeer, omdat het ook bij pensioenfondsen, op grond van de Wtp, verplicht en gebruikelijk is dat de transitie-effecten in het transitie- respectievelijk implementatieplan inzichtelijk worden gemaakt. Hier geschiedt dat niet, althans onvoldoende transparant en in wetsontwerp zijn hiertoe onvoldoende voorzieningen opgenomen.
De overgang dient, samengevat, zodanig te worden vormgegeven dat APPA-deelnemers geen voor- of nadeel ondervinden van de overgang per 1 januari 2028 naar de nieuwe pensioenregeling van het ABP in plaats van 1 januari 2027. Nu al jaren het ‘samen-de-trap-op,-samen-de-trap-af’-principe van kracht is, kan het redelijkerwijs niet zo zijn dat dit principe bij de overgang wordt verlaten. Dit principe dient uitdrukkelijk in de MvT tot uitdrukking te worden gebracht met een overzicht van voorzieningen en waarborgen om dit sluitend te regelen. In de wettekst dient expliciet te worden bepaald dat de Appa-deelnemer geen nadeel mag ondervinden van de overgang, in vergelijking met ABP-deelnemers die per 1 januari 2027 met dezelfde diensttijd en pensioengrondslag zijn overgegaan naar de nieuwe ABP-premieregeling. In de wet dient ook te worden opgenomen, dat bij de berekening en vaststelling van de overdrachtswaarde van het pensioenrecht c.q. -aanspraak deze, zo nodig, wordt gecorrigeerd om een verschil te elimineren.
Hiaat in de verbetering van het nabestaandenpensioen in het overgangsjaar 2027
Ook dient een voorziening getroffen te worden om te waarborgen dat voor actieve Appa-deelnemers geen nadeel gaat ontstaan in het recht op nabestaandenpensioen in het jaar 2027. Het verzekerde nabestaandenpensioen wordt per 1 januari 2027 voor grote cohorten ABP-deelnemers sterk verbeterd. De verzekerde partners van actieve Appa-deelnemers die in 2027 komen te overlijden wordt, zonder nadere voorziening, levenslang dit verbeterde nabestaandenpensioen onthouden.
Personen waarvan in 2027 de Appa-deelname eindigt, vallen, zonder nadere voorziening, ook niet onder de uitloopdekking van het nabestaandenpensioen, die per 1 januari 2027 van kracht wordt voor ABP-deelnemers waarvan de deelname stopt. Het verlies aan dekking zal voor nabestaanden van Appa-deelnemers die in 2027 overlijden tot groot nadeel leiden. Hiervoor dient redelijkerwijs een voorziening te worden getroffen.
In de MvT (pag. 16 e.v.) is voorbijgegaan aan het onthouden van de verbeteringen van het nabestaandenpensioen.
Compensatie afschaffen doorsneesystematiek
Appa-deelnemers ontvangen een compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek. Dat geldt uitsluitend voor degenen die op de beoogde overgangsdatum (1 januari 2028) nog pensioenaanspraken opbouwen.
Doordat de overgang van de Appa een jaar achterloopt op het ABP, gaan Appa-deelnemers van wie de pensioenopbouw in 2027 stopt, zonder nadere voorziening de compensatie mislopen. Dat is onrechtvaardig.
Een tweede knelpunt is dat de Appa geen mogelijkheid kent om de deelneming vrijwillig voort te zetten. ABP-deelnemers hebben die mogelijkheid wel en worden hierop uitgebreid geattendeerd om hiermee hun aanspraak op compensatie veiligstellen. Ook bij andere pensioenfondsen is dit een gangbare praktijk.
Om onevenredig nadeel te voorkomen is het gewenst een voorziening te treffen voor Appa-deelnemers wier deelname is gestopt en voorts om in het wetsvoorstel met terugwerkende kracht de mogelijkheid op te nemen van vrijwillige voortzetting, op gelijke voet als bij het ABP. De Wtp heeft de mogelijkheden tot vrijwillige voortzetting sterk verruimd en staat vrijwillige voortzetting met terugwerkende kracht (onder andere voor zzp-ers) toe.
Kosten voor overheden
Hoewel het de VOP niet primair regardeert, wordt toch opgemerkt, gelet op de actuele dekkingsgraad, dat de kosten van de overdracht aanmerkelijk hoger kunnen zijn dan vermeld in de tabel op pag. 27 van de MvT die uitgaat van de situatie ultimo 2024, toen de dekkingsgraad van het ABP aanmerkelijk lager was. Het is gewenst om een actuelere berekening van de te verwachten kosten te presenteren.
Artikelsgewijs
Artikel 2
Hier staat in lid 4 onder d staat vermeld dat de in de berekening moet worden betrokken ‘de generieke aanpassing van de pensioen of de verwachte pensioenen voor zover ABP deze per 1 januari 2027 heeft toegekend op basis van de in het transitieplan opgenomen benodigde dekkingsgraad.’ Wordt hiermee bedoeld de zogeheten verhoging c.q. verlaging die op grond van de invaardekkingsgraad van het ABP wordt toegepast op ABP-deelnemers, de zogeheten invaarbonus? Kan dit nadrukkelijker worden toegelicht in de MvT? Dit temeer, omdat op pag. 9 van de MvT staat dat geen sprake kan zijn van een te verdelen fondsvermogen, wat feitelijke correct is, maar suggereert dat verhoging c.q. verlaging op grond van de invaardekkingsgraad wordt toegepast.
Is het hier juist om van een ‘generieke verhoging’ te spreken daar de verhoging, onder meer als gevolg van verschuiving van pensioenvermogen en door vermogensspreiding kan verschillen per leeftijdscohort of een verschil kent tussen bijvoorbeeld slapers en gepensioneerden?
Los hiervan is het veel eenvoudiger dat de Appa-pensioenen en -aanspraken in dezelfde mate per 1 januari 2027 worden verhoogd/verlaagd als voor ABP-deelnemers, dus inclusief de ‘invaarbonus’. Daarmee wordt geborgd dat gepensioneerden geen indexatie-achterstand c.q. -nadeel gaan ondervinden. Verder wordt voorkomen dat degenen die in 2027 de waarde van hun Appa-pensioen naar een ander pensioenfonds overdragen de ‘invaarbonus’ mislopen.
De VOP pleit dus, samengevat, voor het verhogen van de pensioenen met de ‘invaarbonus’ per 1 januari 2027, in plaats van deze pas ultimo 2027 separaat te betrekken in de berekening van de overdrachtswaarde.
Artikel 3
In dit artikel is bepaald dat Appa-gerechtigden een opgave ontvangen van hun opgebouwde pensioenaanspraken in de vorm van een voor bezwaar vatbaar besluit. Hiermee wordt de verantwoordelijkheid voor het opmerken van onjuistheden bij de Appa-gerechtigde gelegd, die via bezwaar en beroep hiertegen kan opkomen. Dit is bezwarend voor Appa-gerechtigden. Zij zijn zonder specialistische kennis redelijkerwijs niet in staat de juistheid van de complexe berekening vast te stellen. Onder de werkingssfeer van de Wet toekomst pensioenen houdt DNB-toezicht op de datakwaliteit van de pensioenfondsen. Dit toezicht ontbreekt hier. Weliswaar moet de berekening bij de overdracht naar ABP vergezeld gaan van een accountantsverklaring, maar dat biedt geen adequate bescherming tegen onjuistheden. De VOP stelt zich op het standpunt dat hier het treffen van een voorziening in de vorm van beter preventief toezicht is geboden, bij voorkeur een centrale voorziening, daar toezicht en controle zeer specifieke kennis vereisen. Voorts merkt de VOP op dat een berekening niet alleen door een accountant moet worden getoetst, maar door een onafhankelijke actuaris, op juistheid moet worden gecontroleerd. Immers een accountant kan een berekening technisch goedkeuren, maar niet beoordelen op deze berust op de juiste actuariële gegevens en ook niet beoordelen of de actuariële berekening correct is.
Artikel 4
Hier is bepaald dat een overdrachtswaarde per deelnemer moet worden berekend. Onduidelijk is welke parameters moeten worden gehanteerd. Evenzeer is onduidelijk of deze parameters identiek zijn aan de parameters die ABP hanteert voor het berekenen van het toe te kennen pensioenkapitaal aan de inkomende Appa-deelnemer en welk pensioenvooruitzicht dat oplevert. Hoe wordt voorkomen dat de hoogte van de bestaande pensioenaanspraak op basis van de berekende overdrachtswaarde hoger of lager is dan het pensioenvooruitzicht dat APB berekent en geeft op basis van de ontvangen overdrachtswaarde? Kunnen bijvoorbeeld peildatumverschillen ontstaan door verschil in rekenrentes of peildatumverschillen, bijvoorbeeld door verschillen in de P-en-Q-scenariosets van het DNB, die per kwartaal worden vastgesteld? Of omzettingsverschillen door verschil in actuariële grondslagen (bijvoorbeeld verschillende sterftetabellen, of bestandsverschillen)
De VOP vraagt zich af hoe wordt geborgd dat de berekende overdrachtswaarde na overdracht aan en pensioeninkoop bij het ABP hetzelfde lopende pensioen c.q. initieel hetzelfde pensioenvooruitzicht oplevert. Dit moet nadrukkelijk in de wet worden geborgd en transparant gemaakt.
Artikel 6
De beschreven procedure voor goedkeuring van toezichthouder DNB kent een zeer kritisch tijdpad. De aangeleverde gegevens voor de waardeoverdracht dienen tussen 6 en 15 september 2027 te worden aangeleverd bij DNB. DNB heeft vervolgens 3 maanden de tijd om een besluit te nemen. Het kan daardoor tot 15 december 2027 duren voordat duidelijk is of de waardeoverdracht per 1 januari 2028 kan plaatsvinden.
Dit betekent dat, in het geval het verzoek van het ABP niet compleet is of anderszins onjuistheden bevat, er slechts iets meer dan 2 weken (feitelijk minder in verband met de feestdagen) resteren om gebreken te herstellen voor de beoogde overgangsdatum.
Er is in het wetsvoorstel geen voorziening opgenomen om de (nadelige) gevolgen voor de Appa-deelnemer op te vangen van een niet (tijdig) gerealiseerde waardeoverdracht. Dit klemt temeer, omdat in artikel 5 lid 1 wel een plicht voor het overheidslichaam is opgenomen om tijdig complete informatie aan te leveren bij ABP, maar geen voorziening is opgenomen om te voorkomen dat de Appa-deelnemer nadeel leidt, in het geval het overheidslichaam in verzuim is gebleven. De Appa-deelnemer mag niet de dupe worden van verzuim of fouten.
In artikel 6 lid 4 onder is bepaald dat goedkeuring (door DNB) wordt verleend indien de “langetermijnbelangen van de deelnemers, gewezen deelnemers … afdoende worden beschermd”. Dit is een tamelijk open norm die niet (eenvoudig) toetsbaar is. Tevens is onduidelijk hoe wordt voorzien in de (nadelige) gevolgen voor de Appa-deelnemers als op deze grond goedkeuring wordt onthouden.
Artikel 7
De termijnen in artikel 7 lijken erg krap te zijn, zeker als hierin de scenariosets van DNB moeten worden betrokken, om verschil in pensioenvooruitzicht tussen bestaande Appa-aanspraak en toekomstige ABP-aanspraak te voorkomen.
Artikel 9 en 10
In artikel 9 en 10 zijn bepalingen opgenomen waarin overheden die in gebreke zijn getroffen kunnen worden door de plicht tot rentebetaling en een verhaalsrecht voor ABP.
In de wet zijn geen verhaalsmogelijkheden of sancties opgenomen voor het geval door fouten en gebreken van overheden nadeel ontstaat voor deelnemers. Het is gerechtvaardigd dat een bepaling en/of een hardheidsclausule wordt opgenomen waarmee deelnemers worden gevrijwaard van (onbedoeld) nadeel, of nadeel ontstaan door verzuim, fouten of gebreken. Een plicht tot vergoeden van nadeel hierdoor is op zijn plaats in het wetsvoorstel. Verder is het gewenst om een hardheidsclausule op te nemen voor het geval een deelnemer nadeel lijdt door een onbedoelde of niet voorziene omstandigheid.
Technische (detail)opmerkingen bij het wetsvoorstel
Artikel 13, onderdeel F, wijziging artikel 13a, tweede lid
Hierin wordt de indexering van de ‘opgebouwde aanspraak’ (dat is nog niet ingegaan pensioen) genoemd, maar niet de indexering van de opgebouwde pensioenrechten (dat zijn de ingegane pensioenen. Daardoor is de indexering van ingegane pensioenen niet geregeld.
Verder is het ongerijmd dat de pensioenaanspraken (!) per 31 december worden aangepast met hetzelfde percentage waarmee ABP alle ingegane pensioenen per 1 januari 2028 aanpast. Onder het regime van de Wtp worden pensioenaanspraken verhoogd/verlaagd met het toegedeelde beschermings- en overrendement dat per leeftijdscohort verschilt. Het toepassen van de index voor ingegane pensioenen verhoudt zich daar niet mee. De maatstaf ‘index ingegaan pensioen’ is nadelig, omdat ABP de index gespreid toekent.
Artikel 13, onderdeel R, wijziging artikel 40a
Het hierboven gegeven commentaar op artikel 13, onderdeel F geldt ook voor deze bepaling
Artikel 13, onderdeel V, artikel 58.
Hier wordt het (gewezen) Kamerlid gelijkgesteld met een overheidswerknemer als bedoeld in de Wet privatisering ABP.
Aangezien het niet de bedoeling is dat de gelijkstelling volledig is, maar slechts voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen, verdient het de aanbeveling om de tekst zodanig te preciseren, dat de gelijkstelling voor ziekte en werkloosheid uit te sluiten en om te voorkomen dat politieke ambtsdragers mogelijk onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen komen te vallen.
Pensioengevend salaris
Er is een verschil gegroeid in het pensioengevende salaris van ambtenaren en politieke ambtsdragers, bij de invoering van het individueel keuzebudget. Een deel van de immateriële arbeidsvoorwaarden, i.c. het bovenwettelijk verlof is voor ambtenaren omgezet in geldwaarde dat onderdeel uitmaakt van de premie- en pensioengrondslag.
Hoewel de vergoeding voor bijvoorbeeld Tweede Kamerleden is vastgesteld op het niveau van schaal 16 van de cao Rijk, verschilt de premie- en pensioengrondslag. Bij het gelijkschakelen van de pensioenregeling is het ongewenst dit verschil voort te laten bestaan.
Verder is niet uit te sluiten dat in de toekomst, door wijzigingen in de rechtspositie van rijksambtenaren, meer (niet beoogde, onbedoelde en/of ongewilde) verschillen gaan ontstaan. Het is daarom des temeer belangrijk dat de geleding politieke ambtsdragers in de Pensioenkamer is vertegenwoordigd.
Indexatie per 31 december 2027
Op pagina 14 van MvT staat dat per 31 december 2027 nog een indexatie van de pensioenen plaatsvindt. Er wordt hier slechts gesproken over de ingegane pensioenen. Onduidelijk is of en op welke wijze de pensioenaanspraken van actieve Appa-deelnemers worden aangepast. Bij het ABP geschiedt dit op basis van toedeling van beschermings- en overrendement, die per leeftijdscohort verschilt. Hoe wordt hierin voorzien? In de wetswijziging Appa (artikel 40a, derde lid) is sprake van een indexatie gelijk aan die van de ingegane pensioenen per 1 januari 2028. Daarmee wordt vooral jongere actieve deelnemers tekortgedaan, gelet op de geringe blootstelling aan overrendement.
Pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
In de MvT staat op pag. 17 dat de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid bij het ABP premievrij wordt voortgezet.
Voor degenen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Appa ontvangen, wordt blijkbaar een ander regime voorgesteld, gelet op de formulering “De voortgezette uitkering wegens invaliditeit op grond van de Appa is een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Door ABP wordt deze uitkering geïnterpreteerd als een verlengde ontslaguitkering met een pensioenopbouw van 50 % waarvoor ook een premie van 50 % wordt ingehouden.’
Dit is een ongerijmde en ongelijke behandeling van arbeidsongeschikten. Het is niet verdedigbaar dat bij de overgang, die gelijkschakeling met de ABP-regeling nastreeft, voor APPA-arbeidsongeschikten een ander, nadeliger regime gaat gelden. Dit temeer daar in de afgedragen en af te dragen pensioenpremie een risicopremie is opgenomen voor premievrije opbouw in het geval van langdurige arbeidsongeschiktheid.
Verder is nog de vraag of er nog Appa-arbeidsongeschikten zijn, die op grond van overgangsrecht, 100 % pensioen opbouwen. Als die er zijn, dan moet dat overgangsrecht worden geëerbiedigd en een verlaging van de opbouw naar 50 % gaat plaatsvinden.
Datakwaliteit
Op pag. 24 van de MvT staat het ABP hoge eisen stelt aan datakwaliteit en de zorg daarvoor belegd kan worden bij de twee Appa-uitvoerders. De overgang van de Appa- naar de ABP-regeling is buitengewoon complex. De VOP vraagt zich af of bij de aanbesteding van de pensioenuitvoering voldoende is geborgd dat de Appa-uitvoerders over voldoende expertise en kwaliteit beschikken om dit goed uit te kunnen voeren. Dit klemt temeer daar deze waardeoverdracht, anders dan een interne waardeoverdracht (invaren) op grond van de Wtp, grotendeels buiten het toezicht van DNB valt en, anders dan bij pensioenfondsen niet onder verantwoordelijkheid valt een pensioenfonds met een governance waarin checks and balances veel beter zijn geborgd door het aanwezig zijn van een raad van toezicht, sleutelfunctionarissen, een deelnemersraad en betrokkenheid van sociale partners.