Artikelen

Een sociaal Europa

Een sociaal Europa krijgt een concreter gezicht

door Joost van Iersel

  1. Sociale Top in Porto

Op 8 mei vond in Porto een lang verwachte Sociale Top plaats. Het EU Verdrag geeft de Unie weinig bevoegdheden. In aansluiting op de baanbrekende Top in Gotenburg in 2017, waar The European Pillar Social Rights werd aanvaard, nam de Raad in Porto opnieuw een breed geschakeerde Verklaring aan, die de Commissie tot verdere uitwerking noopt. Toch blijft sociaal beleid een weeskind in de Europese besluitvorming. Het is zelden een eyecatcher. Het debat over een sociaal Europa blijft vaak beperkt tot de kring van sociale partners, in het bijzonder de vakbeweging. Geen lidstaat is vooralsnog bereid om de eigen inrichting van sociale systemen en eigen prerogatieven prijs te geven. Toch krijgt een sociaal Europa langzaam maar zeker concreter gezicht door zorgen over toenemende ongelijkheid ín en tússen de landen. Daarom zoekt de EU naar instrumenten, die naar de publieke opinie een antwoord bieden. Maar meer aandacht staat zeker niet garant voor resultaat. Er lijkt echter nu meer licht aan de horizon.

Toch krijgt een sociaal Europa langzaam maar zeker concreter gezicht door zorgen over toenemende ongelijkheid ín en tússen de landen. Daarom zoekt de EU naar instrumenten, die naar de publieke opinie een antwoord bieden. Maar meer aandacht staat zeker niet garant voor resultaat. Er lijkt echter nu meer licht aan de horizon.

  1. Uiteenlopende sociale modellen

Er wordt al vanaf het KSG-Verdrag in 1952 over een sociaal Europa gedelibereerd. Het thema voelt ongemakkelijk. Het accent lag van meet af aan op economische samenwerking en integratie van de interne markt. Maar met de gestaag toenemende Europese maatschappelijke bemoeienis neemt ook de druk toe om de integratie een sociaal gezicht te geven. De EU is kwetsbaar in de publieke opinie, wanneer de nadruk steeds te eenzijdig ligt op puur economische belangen, grote ondernemingen en concurrentiekracht. Sociaal gezicht is overigens een vage notie. In de geschiedenis van de Unie is hiermee nooit gedoeld op arbeidsvoorwaarden of sociale zekerheid en gezondheidsstelsels, die allemaal zorgvuldig buiten het Brusselse circuit worden gehouden. Sociale systemen zijn nu eenmaal nationaal verankerd en nauw verbonden met eigen tradities en culturen. Iedereen beseft dat het onbegonnen werk is daaraan te tornen, het is ondoenlijk en onwenselijk.

Vanaf 1945 zijn in alle West-Europese landen welvaartsstaten naar nationaal model opgebouwd. Het heeft een kleurrijk, maar ook erg gecompliceerd mozaïek opgeleverd met als belangrijk onderscheidend kenmerk het politieke verschil tussen stelsels, die zich kenmerken door staatsgegarandeerde sociale zekerheden en die, welke deels zijn gebouwd op maatschappelijke verbanden, vooral de familie, grofweg Noord- versus Zuid-Europa. Om het nog wat ingewikkelder te maken hebben we naast Noord en Zuid nog het Angelsaksische model en een eigen model in Oost-Europa, dat nooit een uitbundige welvaartsstaat heeft gekend. Daarnaast is er het onderscheid tussen het consensus- en het conflictmodel in de nationale sociale dialogen. Een derde verschil is het manifeste uiteenlopen van productiviteit, verdienvermogen en weerbaarheid van de nationale economieën. Daar kwam in de economische crises vanaf 2008 in de meest getroffen landen ook nog de klap van de bezuinigingspolitiek – austerity - nog overheen.

Er is geen sprake van een natuurlijke convergentie van stelsels. Er zijn bijvoorbeeld heel wat buitenlanders, die bij de Haagse SER hun licht komen opsteken over de praktijk van het consensusmodel. In Berlijn is het niet anders. Met weinig resultaat, men gaat in de regel naar huis onder het motto: interessant, maar wij zijn het thuis anders gewend. Iedereen blijft in de eigen mal doorwerken. Een pikant detail is ook de positie van de ministers van Sociale Zaken. In Nederland maakt deze minister met de collega’s van Financiën en EZ gelijkwaardig deel uit van de sociaaleconomische driehoek. In de meeste lidstaten zit deze flink wat lager in de politieke pikorde. Alles laat onverlet, dat de EU wereldwijd te boek staat als een sociaal paradijs. Angela Merkel vatte dit eens zuchtend aldus samen: Europa heeft 7% van de wereldbevolking, 30% van de wereldeconomie en 50% van de sociale zekerheid! Om de topzware systemen in beweging te krijgen, moet men van goeden huize komen.

Alles laat onverlet, dat de EU wereldwijd te boek staat als een sociaal paradijs. Angela Merkel vatte dit eens zuchtend aldus samen: Europa heeft 7% van de wereldbevolking, 30% van de wereldeconomie en 50% van de sociale zekerheid! Om de topzware systemen in beweging te krijgen, moet men van goeden huize komen.

Social Charters, fondsen en ‘soft law’

Ligt in de eerste decennia in de Unie de volle nadruk op de economie, geleidelijk aan komen ook sociale aspecten aan bod. Deze waren niet exclusief voor de Gemeenschap. In diverse gremia, waaronder met name de ILO, maar ook de Raad van Europa, kwamen de eerste concrete bouwstenen voor sociaal beleid tot stand, waaruit rechten van werknemers uit voortvloeiden, die vaak rechtstreeks doorwerken in de lidstaten. In 1973 besluit de Europese Raad in Parijs tot een eigen invulling in de Gemeenschap via een serie van sociale actieprogramma’s. De thema’s daarvan wijken niet veel af van wat ook vandaag nog steeds hoog in het vaandel staat: volledige en betere werkgelegenheid, meer opleiding en training met het oog op technologie en markten en speciale aandacht voor vrouwen en achtergebleven groepen, zoals gehandicapten en migranten; verbetering van voorwaarden voor leven en werk; garanties voor effectieve deelname van werkgevers en werknemers in de Europese besluitvorming.

Onder de fameuze Commissievoorzitter Jacques Delors kwam in 1989 het Community Charter of the Fundamental Social Rights of Workers tot stand, een niet-bindend charter met concrete voorstellen over een brede waaier van sociale thema’s. Alleen de Britten met hun eigen sociaal model weigerden zich aan te sluiten. In 2000 volgde het ruimere kader van het Charter of Fundamental Rights of the European Union, een caleidoscoop van Europese waarden en individuele rechten, waaronder sociale doelstellingen. Dit Charter wordt in het Verdrag van Lissabon (2009) opgenomen. Op basis daarvan volgt in 2017 in Gotenburg de European Pillar of Social Rights met 20 principes en rechten en drie prioriteiten: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke en transparante arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie. Aanscherping vindt ook plaats via een Social scoreboard met maatstaven voor het jaarlijks landenrapport over wenselijke beleidshervormingen, het zgn. Semester. De speerpunten van Gotenburg zijn een opmaat naar het Actieprogramma in Porto van 8 mei jl. In Porto besluit de Europese Raad weer echt de schouders te gaan zetten onder een Sociaal Europa, dat ook meer thema’s gaat omvatten, waaronder gezondheidszorg en migranten. Het wordt steeds concreter. Er wordt veel meer gehamerd op hervormingen. Ook is er nu overeenstemming over drie doelen in 2030: minstens 78% van de bevolking tussen 20 en 68 jaar moet een baan hebben, minstens 60% van alle volwassenen moet ieder jaar een trainingscursus krijgen en het aantal arme of sociaal uitgesloten mensen moet met 15 miljoen naar beneden, inbegrepen vijf miljoen kinderen.

Andere sporen van een Sociaal Europa lopen via het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Regionaal en Cohesie Fonds. Vooral minder welvarende lidstaten putten naar hartenlust hieruit. Het ESF beslaat grofweg 10% en het Regionaal Fonds één derde van de totale EU-begroting! Geleidelijk is het toezicht van de Commissie op de uitgaven gelukkig aanzienlijk versterkt. Ondertussen zijn er door de jaren heen over een waaier van belangrijke thema’s richtlijnen tot stand gekomen, zoals over de 40-urige werkweek, veiligheid op de arbeidsplaats, flexwerk, onderlinge erkenning van diploma’s, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, anti-discriminatie, migranten, deeltijdarbeid, vrij verkeer van werknemers en detachering met gelijke rechten, maar bij de uitwerking blijft subsidiariteit de klok slaan. Kort gezegd, alle lidstaten vullen Europese doelen en normen op eigen wijze in. Het is voor de EU typisch een terrein van soft power, lidstaten worden zonder dwang gestimuleerd regelgeving in te voeren. Over inzet en draagwijdte is brede overeenstemming, maar de implementatie blijft in handen van de lidstaten. Er zijn niet veel gedeelde competenties tussen Brussel en de lidstaten.

In kader

Er wordt veel meer gehamerd op hervormingen. Ook is er nu overeenstemming over drie doelen in 2030: minstens 78% van de bevolking tussen 20 en 68 jaar moet een baan hebben, minstens 60% van alle volwassenen moet ieder jaar een trainingscursus krijgen en het aantal arme of sociaal uitgesloten mensen moet met 15 miljoen naar beneden, inbegrepen vijf miljoen kinderen.

COVID19 zet de zaken op scherp

Er is geen toepasselijker samenvatting van de Europese sociaaleconomische waarden dan het Duitse begrip Soziale Marktwirtschaft, ook wel het Rijnlands model genoemd. Hierin wordt gestreefd naar een balans tussen kapitaal en arbeid met een actieve participatie van werkgevers en werknemers, die kenmerkend is voor Europa en als model uniek in de wereld. Maar het is ook een fragiel concept, dat zich in zijn uitwerking moet voegen naar de voorthollende technologische dynamiek, een geweldige opgave in de 4e industriële revolutie met haar om zich heen grijpende digitalisering, AI enz. en de daarmee samenhangende individualisering. Een sociale dialoog en samenwerking moet dan ook qua organisatie en doelstellingen op geheel nieuwe leest worden geschoeid. Lang niet alle landen zijn daaraan toe. Achterstelling en inkomensongelijkheden tussen landen en bevolkingsgroepen dreigen zich verder te verdiepen. Modernisering op een breed front moeten die trends keren. Daarin ligt de cruciale betekenis van de European Pillar of Social Rights van 2017 met zijn 20 speerpunten in combinatie met het Actieprogramma van Porto van mei 2021. Men kan gezien eerdere ervaringen cynisch doen over zulke programma’s, maar deze moderniseringsslag is cruciaal. Mist men die, dan dreigen groepen sociaal en economisch verder achterop te raken met als bijkomend effect politieke instabiliteit en populisme.

COVID zet zaken op scherp en dwingt tot nieuwe wegen tegen blijvende tweedeling tussen landen en groepen mensen. De afhankelijkheid van toerisme met weinig toegevoegde waarde in een aantal landen is pijnlijk duidelijk geworden. De digitaliseringskloof verdiept zich. Met onze eigen gespannen arbeidsmarkt hebben we in Nederland geen klagen. Maar een groot aantal landen blijft kampen met hoge jeugdwerkeloosheid. Europese fondsen dragen miljarden bij aan economisch herstel en onderwijsprogramma’s (ESF, Regionaal Fonds en nu ook via het Herstelfonds van €750 mld.). Hier bovenop is er nog €100 mld. aan leningen (SURE) beschikbaar voor lidstaten, die extra geld nodig hebben om banen te redden.

Maar het gaat ook om diep verankerde structurele en culturele aspecten van de Europese welvaartstaat sinds 1945. Aanpassingen zijn uiterst moeizaam. We ervaren dat in eigen land met de jarenlange geschiedenis rond het pensioen en de hopelijk aanstaande invoering van het rapport-Borstlap met zijn lange voorgeschiedenis en een nog ongewisse uitkomst. Hoe urgent is de situatie dan niet in landen als Italië, Spanje, Portugal en ook Frankrijk! Vastgeroeste systemen en gebrek aan productiviteit leiden er per saldo ook toe dat in Spanje en Italië jongeren lang thuis blijven wonen en niet trouwen, wat alleen maar leidt tot meer vergrijzing en krimp van de bevolking. En tel daarbovenop in veel landen groeiende minderheden. Overal is, zoals in Nederland, een nieuwe balans nodig tussen zekerheid en flexibiliteit, inbegrepen inclusiviteit en gender equality. Daarvoor is ook een radicale modernisering van het onderwijs een eis van de eerste orde.

De weg naar herstel loopt via meer en vooral bétere banen

De nationale herstelprogramma’s omvatten dan ook verbetering van de arbeidsmarkt, modernisering van het onderwijs, en massieve herscholing in nauwe samenwerking met sociale partners. De Commissie oefent daarop veel scherper toezicht dan tot dusver. Bovendien nemen de lidstaten ook elkaar de maat. Nationale teams van ambtenaren – ook in Nederland – volgen het proces van nabij. Dit is totaal nieuw. Met deze methodiek is de eerste reeks steunprogramma’s onlangs goedgekeurd, waaronder de uitwerking van de afspraken van Porto in iedere lidstaat. Er ligt een zware nadruk op de toegevoegde waarde van arbeidsplaatsen en het weerbaarder maken van de beroepsbevolking: meer en vooral bétere banen. Zo’n sociale component is cruciaal voor een houdbaar economisch herstel, onmisbaar om groeiende ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en lidstaten een halt toe te roepen, concurrentiekracht te verhogen en populisme tegen te gaan. Een sociaal Europa ten gunste van de hele Unie en brede bevolkingsgroepen is een nieuw en noodzakelijk complement van de toch al zware Europese agenda.

Zo’n sociale component is cruciaal voor een houdbaar economisch herstel, onmisbaar om groeiende ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en lidstaten een halt toe te roepen, concurrentiekracht te verhogen en populisme tegen te gaan. Een sociaal Europa ten gunste van de hele Unie en brede bevolkingsgroepen is een nieuw en noodzakelijk complement van de toch al zware Europese agenda.

 


Leven na het parlement: Lenny Geluk-Poortvliet
08okt

Leven na het parlement: Lenny Geluk-Poortvliet

Leven voor, in en na het parlement                                      door Mieke van der Burg Wat doen Parlementariërs na hun vertrek...

Leven na het Parlement: Rein Willems
08jul

Leven na het Parlement: Rein Willems

HET LEVEN VOOR EN NA HET PARLEMENT Aan het woord: Rein Willems Van 2007 tot 2011 was hij lid van de Eerste Kamer voor het CDA. Voor zijn...

Reacties

Log in om de reacties te lezen en te plaatsen